Header

Veiligheidstips voor motorrijders

Laat je zien

Het is van het allergrootste belang dat andere weggebruikers je tijdig opmerken. De kleuren van je uitrusting, reflecterende elementen, je lichten, maar ook je plaats op de weg spelen daarbij een rol. Onthou vooral dat zien niet hetzelfde is als gezien worden!

Val op

  • Zet je lichten aan. Ook overdag ben je als motorrijder verplicht om altijd je dimlicht en je rode achterlicht aan te hebben.
  • Kies voor een uitrusting in lichte of opvallende kleuren, inclusief felgekleurde helm.
  • Draag bij voorkeur ook reflecterende accessoires, een fluohesje of een vest waarin reflecterende tape verwerkt zit.

Kies de juiste plaats op de weg

  • Als motorrijder rij je op 2/3e van de breedte van je rijstrook. Zo heb je een beter zicht op het verkeer en ben je zichtbaar voor andere weggebruikers. In heel wat verkeerssituaties is het echter veiliger om af te wijken van die positie. Door een correcte positie te kiezen kun je heel wat mogelijke risico’s sneller opmerken of vermijden. Let op voor de dode hoeken, ook bij gewone personenwagens. De bestuurder van de auto, bestelwagen of vrachtwagen die jij volgt of inhaalt heeft je misschien niet gezien.

Je rijgedrag

Om plezier en veiligheid met elkaar te combineren zijn twee dingen van belang: voorzichtig zijn en anticiperen. Je deelt de weg met anderen en dus is het ieders taak om uit te kijken. Omdat je als motorrijder geen beschermend koetswerk om je heen hebt, ben je veel kwetsbaarder. Zorg er daarom voor dat je anticipeert op het gedrag van andere weggebruikers en blijf altijd waakzaam.

Een overzicht van een aantal gevaarlijke situaties voor motorrijders:

Anticiperen

  • Probeer als motorrijder in te schatten wat andere weggebruikers zullen doen:
    • Hou voldoende afstand van je voorligger, zeker als je vermoedt dat die zal vertragen of stoppen.
    • Een vrachtwagen die naast je rijdt, is misschien van plan om uit te wijken en heeft je mogelijk niet gezien.
    • Een bestuurder die rechts geparkeerd staat, kan plots wegrijden zonder dat vooraf aan te geven. Let op de remlichten die ineens uitgaan of de positie van de voorste wielen van het voertuig.
  • Inschatten van de snelheid waarmee je komt aangereden.
    • Heeft de bestuurder jou gezien en heeft hij je afstand en je snelheid correct ingeschat? Veel ongevallen met motorrijders gebeuren omdat andere bestuurders de situatie niet goed kunnen inschatten of omdat ze de motorrijder niet zagen aankomen. Door gezichtsbedrog lijken kleinere objecten zoals een naderende motor verder weg dan bijvoorbeeld een naderende auto. Daardoor is het ook moeilijker om de snelheid van een naderende motorrijder in te schatten, wat tot levensgevaarlijke situaties kan leiden.

Vertrekken bij groen licht

  • Hou rekening met de ’dode seconde’ als het verkeerslicht op groen springt. Ga voor je vertrekt na of iedereen die groen had en nu rood heeft wel echt is gestopt of dat van plan is.

Een kruispunt oversteken

  • Kijk bij het oversteken van een kruispunt eerst naar links, dan naar rechts, en vervolgens weer naar links. Wees je ervan bewust dat andere weggebruikers je mogelijk niet hebben gezien of je snelheid niet goed hebben ingeschat.

Links afslaande automobilisten

  • Een automobilist die naar links wil afslaan, heeft je omwille van je smalle silhouet misschien niet gezien en riskeert je de pas af te snijden. Of wie weet zat je verborgen achter je voorligger. De ongevallenstatistieken tonen aan dat dit manoeuvre vaak tot ongevallen leidt.
  • De gevaarlijke situaties hieronder komen het vaakst voor, maar linksaf-manoeuvres houden nog veel andere risico’s in. Goed uitkijken blijft de boodschap!

Situatie 1

Een motorrijder rijdt op een voorrangsweg. Een automobilist die in de tegenovergestelde richting komt aangereden, wil naar links afslaan. Ondanks de goede algemene zichtbaarheid merkt hij de motorrijder niet op of schat hij diens snelheid en afstand verkeerd in en snijdt hem daardoor de pas af.

Situatie 2

Een motorrijder rijdt achter een bestuurder die vertraagt of rijdt achter een file. De motorrijder begint de automobilist in te halen, maar die slaat af naar links en snijdt de motorrijder de weg af.

Situatie 3

Een automobilist wil een voorrangsweg oprijden. Hij steekt de weg over om naar de rechter rijstrook te gaan, maar snijdt daarbij de pas af van een motorrijder die van links nadert omdat hij diens snelheid of afstand verkeerd inschat. Mogelijk was je niet zichtbaar achter je voorligger. 

Een file voorbijrijden

Een motorrijder rijdt een file voorbij. Een autobestuurder A die in dezelfde richting beweegt, stopt bij een kruispunt om voorrang te geven aan autobestuurder B die de rijbaan in de tegenovergestelde richting oprijdt. Deze checkt of er geen auto langs rechts aankomt, maar merkt de naderende motorrijder links niet op en snijdt hem de pas af. De motorrijder, die door de aanwezigheid van auto A onvoldoende zicht heeft op het kruispunt, ziet auto B niet aankomen en heeft geen tijd om te vertragen.

Een bocht nemen

In bochten is de zichtbaarheid niet optimaal. Met ervaring en een goede kijktechniek kun je elke bocht op een veilige manier nemen.

Vóór de bocht:

  • Kijk ver vooruit naar het verloop van de bocht, maar haal je blik ook terug.
  • Let extra op bij bochten waarvan je het einde onvoldoende kan zien.
  • Wacht zo lang mogelijk met het nemen van de bocht, zo heb je meer zicht.
  • Pas je snelheid aan vóórdat je de bocht ingaat.

Positioneer je zo links mogelijk binnen je rijstrook alvorens je een bocht naar rechts neemt (voor een bocht naar links doe je het omgekeerde en ga je zo rechts mogelijk rijden). Op die manier kun je langer in rechte lijn blijven rijden en hou je een beter overzicht op de bocht. Hou rekening met tegenliggers. Die kunnen ervoor zorgen dat je je positie moet aanpassen.

 

In de bocht:

  • Verleg bij het begin van de bocht je blik naar het punt waar de bocht eindigt.
  • Hou je knieën tegen de brandstoftank, buig je lichaam om de motor vanuit je heupen in de juiste richting te sturen en druk aan de binnenkant van de bocht met je voet op de voetsteun.
  • Let er in een bocht naar links op dat je bovenlichaam niet over de witte doorlopende lijn in het midden van de rijbaan komt.
  • Vermijd om de gashendel te lossen, terug te schakelen of te ontkoppelen, want dat brengt de stabiliteit van je motor in gevaar.
  • Moet je toch remmen? Gebruik dan eerst je achterrem. Let op voor het gebruik van je rem wanneer de motor op hellingshoek is. Een ABS-systeem werkt niet op hellingshoek. Slechts enkele van de nieuwste motoren beschikken over een ABS-systeem dat werkt op hellinghoek, maar ook dan vermijd je best het remmen in een bocht. Als je moet remmen in een bocht wil dat zeggen dat je vooraf je snelheid niet voldoende hebt aangepast.
  • Trek pas op als het einde van de bocht in zicht is.

Inhalen

  • Kijk snel even over je linkerschouder om te checken of je niet wordt ingehaald door een andere bestuurder.
  • Probeer de snelheid van zowel je voorliggers als je tegenliggers in te schatten. Haal nooit in als je twijfelt en ga er niet van uit dat andere weggebruikers voor jou uit de weg zullen gaan.
  • Blijf voor het inhalen op een voldoende veilige afstand van je voorligger rijden. Zo behoud je zelf voldoende zicht op alles wat zich voor jou afspeelt en word je ook sneller opgemerkt door andere weggebruikers. Let vóór het inhalen ook op eventuele zijstraten of opritten die je tijdens de inhaalbeweging zult voorbijrijden. Op het moment dat je inhaalt, kunnen andere weggebruikers vanuit de zijstraten of opritten jouw richting uitkomen.
  • Gebruik je richtingaanwijzers om je inhaalmanoeuvre ruim op tijd aan te kondigen.

Links of rechts?

Inhalen gebeurt altijd links. Enkel stilstaande voertuigen mag je langs rechts voorbijrijden, al is dat voor je veiligheid niet aan te raden. Zodra de voertuigen in beweging zijn, gaat het niet meer om voorbijrijden maar om inhalen. Dan heb je de keuze: ofwel invoegen in de file, ofwel inhalen - maar dat mag dus alleen langs links.

Enkele bijzondere gevallen

Rij je in groep of met een passagier, of vervoer je bagage? Neem dan je voorzorgen!

In groep rijden

Enkele tips om veilig in groep te rijden:

  • Verdeel de groep in kleinere groepjes van 5 à 6 personen.
  • Bepaal ieders plaats in de groep, de minst ervaren motorrijders vooraan.
  • Voor een optimale zichtbaarheid rij je geschrankt: de eerste rijdt op 2/3e van zijn rijstrook, de tweede op 1/3e, de derde terug op 2/3e enzovoort. In bepaalde gevallen wijk je af van deze ‘baksteenformatie’. Bijvoorbeeld bij het naderen van ‘brede’ tegenliggers of bij het nemen van bochten.
  • Pas de onderlinge afstand tussen de groepsleden aan aan de snelheid en de plaats waar je rijdt. Binnen de bebouwde kom rij je dichter op elkaar dan op de autosnelweg.
  • Zoek steeds een geschikte en reglementaire plaats afgescheiden van de rijbaan waar je met de hele groep veilig kunt stoppen.
  • Volg bij het uitvoeren van een manoeuvre nooit blindelings je voorligger. Check of de weg wel degelijk vrij is.

Wat zegt de wet?

  • Groepen van meer dan 50 motorrijders moeten worden vergezeld door minstens twee wegkapiteins. Voor groepen vanaf 15 motorrijders is begeleiding door wegkapiteins aan te raden.
  • Wegkapiteins moeten minstens 25 jaar oud zijn, een retro-reflecterend veiligheidsvest dragen waarop in zwarte letters op de rugzijde het woord ‘wegkapitein’ staat, en een C3-bordje (witte schijf met rode rand) bij zich hebben. Met dat bordje mogen ze op kruispunten zonder verkeerslichten het verkeer stilleggen om de groep te laten doorrijden.
  • Motorrijders in groep mogen binnen één rijstrook geschrankt rijden in twee evenwijdige rijen, op voorwaarde dat ze onderling een voldoende grote veiligheidsafstand aanhouden. Wanneer de rijbaan niet verdeeld is in rijstroken, mogen ze niet meer dan de helft van de rijbaan in beslag nemen. Als het daarbij niet mogelijk is om tegenliggers te kruisen, moeten ze achter elkaar gaan rijden.

Een passagier vervoeren

Met tweeën op de motor zitten vergt oefening en een paar aanpassingen:

  • Je motor moet ingericht zijn om een passagier te vervoeren: een dubbel zadel, voetsteunen en handgrepen.  
  • De passagier moet ontspannen zijn en gewoon de bewegingen van de motor volgen. Hij mag nooit onverwacht naar binnen of naar buiten leunen. Hij mag van houding veranderen als de motor in een rechte lijn rijdt, maar nooit in een bocht.
  • De passagier moet zijn voeten altijd op de voetsteunen houden.
  • Hij kan zich vasthouden aan de handgrepen of aan je middel, maar mag je bewegingsvrijheid niet hinderen.
  • Als je motor niet over een intercomsysteem beschikt, spreek je vooraf tekens af om met elkaar te communiceren.
  • Een passagier verhoogt je gewicht: je remweg wordt langer.
  • Pas je bandenspanning aan aan de bijkomende belasting.

Wat zegt de wet?

Kinderen jonger dan 3 jaar mogen niet op de motor worden vervoerd. Kinderen tussen 3 en 8 jaar mogen op een motorfiets van maximum 125cc worden vervoerd, op voorwaarde dat ze in een geschikt kinderbeveiligingssysteem zitten. Vanaf de leeftijd van 8 jaar mogen kinderen op elk type motorfiets worden vervoerd. Vervoer je kind altijd met aangepaste en goedgekeurde uitrusting.

Bagage vervoeren

Je motor mag ten hoogste 1,25 m breed zijn, bagage inbegrepen. Controleer de bandenspanning en de ophanging op basis van het totale gewicht en test dit een paar dagen voor je vertrek uit. Stel de lichten in volgens de belading van je motor.

Zijdelingse koffers

  • Verdeel het gewicht gelijkmatig tussen de twee koffers. Een tankkoffer heeft als voordeel dat hij dichtbij het zwaartepunt van de motor ligt.
  • Plaats de zwaarste voorwerpen onderin.
  • Hou rekening met het maximale gewicht per koffer.
  • Ben je het niet gewoon om met zijdelingse koffers te rijden, hou er dan rekening mee dat je voertuig met die koffers breder is.

Top case

Je kunt een extra koffer ("top case") op het bagagerek plaatsen of een langwerpige zak achterop de motor vastmaken, op voorwaarde dat je de reglementaire maximumbreedte niet overschrijdt.

 

Bron: AWSR (tousconcernes.be)